Home » René Haustermans » Verhaaltjes » Een weekend in het klooster Mamelis

Een weekend in het klooster Mamelis

Nog één nacht slapen voor ik het klooster in ga. Niet dat ik wil intreden, nee, dat zou ik niet willen en zelfs niet kunnen. Ik heb mijn vrijheid en mijn eigen wandel te lief. Maar voor drie dagen trek ik mij terug in een benedictijnenklooster. Ik heb het daar al heel lang over, zo vaak over gedacht, zo vaak over gelezen. En in al die boeken, alle verhalen komt steeds weer hetzelfde terug; rust en regelmaat. Een strakke dagindeling en toch niet gehaast zijn. Het “age quid agis”: het doen wat je doet. Buiten die regelmaat is het natuurlijk ook dat stukje mystiek wat me trekt. De stilte, de gebouwen de sfeer, rust die ik in mijn dagelijks leven niet vinden kan, omdat ik steeds denk aan wat ik nog moet, nog wil en kan doen. Vooral zaken waarvan ik denk wat ik allemaal moet doen. Maar nu aan de vooravond van deze driedaagse vrijwillige afzondering van de buitenwereld, ga ik mezelf toch vanalles afvragen. Als ik dit bezoek zelf had moeten regelen was ik waarschijnlijk nog niet gegaan, niet gereserveerd bij de gastenpater. Het was mijn vrouw die bij wijze van eerste vaderdagcadeau dit voor mij regelde, omdat ze wist dat ik dit bezoek graag wilde doen, maar ook dat mijn agenda dit vrijwel onmogelijk maakt, dat het waarschijnlijk bij een wens blijven zou. Ik ben blij en haar dankbar dat ze dit voor mij regelde. ( ’t kan natuurlijk ook een weekendje oprotten, heb ik rust-cadeau zijn). Maar alles is nu eenmaal geregeld en ik ga morgenvroeg. En toch voel ik me wat onzeker. Sta ik wel op tijd op als de paters mij voor vijven wekken voor het eerste getijdengebed, de metten? Kan ik wel meewerken met de paters? Kan ik tot mezelf komen binnen die muren? Kan ik mijn lap-top drie dagen missen? En mijn vrouw en mijn dochtertje? Kan ik aan mezelf werken? Nieuwsgierigheid en verlangen wisselen steeds met onzekerheid. Sla ik er geen flater? ( lees goed Flater, geen frater) als ik door mijn onkunde niet meekan met de getijden of het dagritme. Ik zal het er wel leren. Ben blij dat ik mag gaan en hoop dat ik er een basis kan leggen voor mijn verdere leven in rust, ritme en persoonlijke verrijking.

Maak de poort maar open!

Binnen een half uur rijd ik al bergop over de oprijlaan naar het klooster. Ik neem mijn tas uit de auto en wandel in de richting van de zware poort. Na een ferme zucht bel ik aan. Géén reactie. Ik twijfel of ik nog een keer zal aanbellen, maar laat het achterwege. De eerste les van het kloosterritme voor iemand uit de gejaagde wereld. De deur wordt dan toch geopend door iemand die geen pater is, maar toevallig naar buiten wil. De goede man zegt dat de mis nog bezig is en dat daarna wel een pater zal komen. Ik besluit maar even geduldig te wachten in de gang waar ik wat literatuur doorblader. Na enige tijd zie ik de eerste geestelijke. Een zuster!!!

Ben ik verkeerd? Nee, zij zal wel de mis hebben bijgewoond want een plukje mensen volgt haar naar buiten. Dan komt de gastenpater, die mij vriendelijk verwelkomt en meteen alles begint te vertellen over de geschiedenis en gebruiken van het klooster.

Na even wat te hebben rondgewandeld hoor ik het luiden van de klok die de sext aankondigt en begeef me met mijn boeken naar de kerk. De sereniteit zou je haast overvallen. Gelukkig heeft de gastenpater alle te gebruiken pagina’s voorzien van een briefje zodat ik zonder veel zoeken de Latijnse teksten kan volgen. Als bij een passage plotseling de hele gemeenschap gaat staan, probeer ik met een zwierige beweging zo onopvallend mogelijk als een volleerde pater mee te gaan. Dat zelfde gebeurt ook bij buigingen, zitten, weer staan, zitten, staan, buiging, etc. Ik wist niet dat mijn ooghoeken zo’n groot bereik hebben. Als de sext ten einde is gaat vader abt voorop, gevolgd door alle broeders, op hun beurt weer gevolgd door ons gasten naar de refter. Voor ik de refter betreed wordt ik persoonlijk verwelkomd door de abt en wast mijn handen. Gastvrijheid is voor Benedictijnen een groot goed en is één van de gouden regels die Benedictus hun voorschrijft. Als ik naar mijn eetplaats loop zie ik dat iedereen voor zijn tafel staat, met een papiertje in hun hand, waar het komende gebed opgeschreven staat. Net als ik met een scheef oog bij mijn buurman wil meespieken reikt een pater mij mijn eigen papiertje aan, dat gewoon naast mijn bord lag. De abt bidt voor en iedereen volgt. Als we eenmaal aan tafel zitten leest een broeder voor:geschiedkundige werken, de heiligenkalender of andere literatuur. Héérlijk gegeten trouwens. Een goed gekruide soep (vandaar die kan water op tafel), aardappelen, witlof, vis (ook goed gekruid) en een rabarber-kompot met rode bessen. Ik had nog luidkeels willen roepen: "Hulde aan de kok!!", maar gezien de stilte in de ruimte heb ik het maar gelaten.

Na het gebed na het eten, gaat ieder zijn eigen weg. Ik wil even wat werken om vervolgen door de kloostertuin te wandelen. Want niets moet, alles mag. Hoef er ook niet over na te denken. Je gaat mee met de stroom van het ritme van de dag en saamhorigheid. Zo’n kloostertuin heft net wat anders als je eigen balkon of achtertuin. Heeft ook meer dan een stadspark. Je ziet dat de paters niet alleen ìn de tuin leven, maar vooral ook met hun tuin leven. Het kent stilteplekken, verbouwen er hun groenten, laten er vee op grazen, maar begraven er ook hun medebroeders. En al hoor je op de achtergrond zachtjes het lawaai van de wereld; het straalt rust uit. Stilte is méér dan niets horen. Je kunt het ook ruiken, aanraken en voelen. Waar het de eerste dag nog aan wennen is, is het loslaten van de tijd. Steeds wil je weer op je klok kijken om te zien hoe laat het is. Hoe lang je nog hebt om iets te doen voor het volgende getijdengebed. Maar het is hier niet de tijd van onze agenda. Het is de tijd van het ritme van de dag, die begint het het opkomen van de zon en eindigt met het ondergaan daarvan. Daartussenin gaat alles op een heel natuurlijke wijze.

Na de Noon ( het middaguur) wordt er samen gegeten, waarna er een korte siësta volgt, die alle levende wezens op aarde houden, behalve wij westerse mensen, om de spijsvertering zijn werk te laten doen. Als je die energie dan weer inzet voor andere zaken, zal die spijsvertering ( door die verminderde energie) niet optimaal werken. De klok die slaat geeft aan dat waar je mee bezig bent, of niet, staakt en je begeeft je naar de gebedsruimte. En als de klok dat niet doet, is er wel een kudde schapen, die onder mijn raam vers gras heeft gevonden. Het geblaat geeft aan dat ik even uit mijn raam moet kijken.

De tijd hier duurt niet lang, de tijd duurt niet kort, de tijd duurt zolang als dat het nodig is. Kon ik dit maar in mijn dagelijkse leven inpassen.

Ik had geluk! Aansluitend aan de vespers werd er een concert gegeven met werken van Mozart en Mendelssohn. Erg mooi.

Je merkt ook dat je binnen één dag meteen bent opgenomen in de gemeenschap. Zowel met de paters, als met de medegasten. Verhalen, herinneringen en ervaringen van de meest uiteenlopende aard worden gedeeld. Op deze manier ontstaan mooie gesprekken. Je helpt elkaar ook op momenten dat je als nieuweling niet bekend bent met een kloostergebruik.

Met de completen, completeer je je dag. Iedere dag in het klooster. Je kijkt terug op de dag, overweegt de dag en sluit de dag. Met de zegen van de abt ga je de stilte van de nacht in. Op een tijd dat ik normaliter aan een nieuwe taak begin, ga ik nu naar bed. Waarom ook niet. De dag is om, compleet, niets meer te doen als gaan slapen om in de morgen weer te beginnen met een nieuwe dag.

Een nieuwe dag begint vroeg met de metten om vijf uur en de lauden om half zes. Mijn dag begon pas om half zeven, wanneer ik in stilte ontbijt en een wandeling maak door de kloostertuin. Als ik de klok voor de tweede maal hoor slaan, spoed ik mij naar de kerk voor de prime. Het startschot voor deze dag. “Nu het zonlicht is opgegaan” zijn dan ook de eerste woorden die de nachtstilte doorbreken. Die rust vanaf de completen tot nu aan de prime, zegt zoveel over wat de nacht moet zijn. Een tegenhanger van de dag. Staat recht tegenover het werk, heel anders dan alle geluiden, conversaties, etc. van onze dagelijkse bezigheden. Die rust en stilte is ook niet beklemmend of beangstigend, nee, eerder bevrijdend. Je hoeft je namelijk ook niet te verantwoorden of te verdedigen dat je deze periode van de dag geen behoefte hebt aan spreken, conversaties, lawaai en drukte om je heen, maar aangewezen zijn op jezelf om na te denken, orde te scheppen en rust te vinden. Dat wat in je dagelijkse leven bijna niet is in te passen. Toch werkt het. Onder het ontbijt of andere eetmomenten kun je met kleine gebaren en vooral je ogen alles gedaan krijgen.

Samen aan de koffie met de overige gasten brengt mooie verhalen over tafel. Een gesprek begint, wat door ieders ervaringen en kennis wordt aangevuld. In het dagelijkse leven is iedereen met zijn eigen zaken bezig en hier komen ze bij de koffie opeens allemaal samen in een gesprek, wat op deze manier wat krijgt van een intervisie, van waaruit een ieder weer kan putten om zijn eigen zaak te vervolgen.

Na de sext is er weer een heerlijk maal bereidt. De tijd na de maaltijd in de middag vind ik heerlijk. Even nagenieten van het eten en het vooral even rustig laten zakken tijdens een wandeling door de tuin. Tot de klok weer opriep voor de noon. De ruimte die zit tussen de noon en de vespers is al helemaal een zee van tijd. In deze tweeënhalf uur heb ik een klusje gedaan wat ik had meegenomen en al twee jaar tegenaan aan het hikken was. En hier? In nog geen twee uurtjes gepiept! Moet ik daarom de rust van een klooster opzoeken? Waarschijnlijk wel.

Tijdens de vespers begon het buiten erg donker te zien. En net als het psalmvers “Qui óperat caelum núbibus et parat terrae plúviam”1 klinkt, zie ik door de kerkramen een zwarte lucht en klinken er ferme donderslagen. ’t Bliksemt en waarschijnlijk is deze ingeslagen op de kerk. We zagen namelijk een vonkje en hoorde een dor gekraak uit de luidsprekers. Volgens een pater die het zelf niet had gehoord was het dan toch de H. Geest. Na het eten een stuk gewandeld met frater Leo, een befaamd beeldhouwer, om vervolgens met de completen de dag weer te sluiten met de zegen van de abt.›

Ik ben nog geen tien seconden wakker als ik de klok hoor luiden die oproept voor de metten. De vigilie van de nacht. Voor de monniken is dit een oefening om te leren omgaan met het donker. Een lange zit. Anderhalf uur! En dat voor een gebed dat begint op zondagmorgen om kwart voor vijf. Wel mooi om te zien is dat tijdens het gebed dat de duisternis gedag zegt, dit visueel wordt door de vensters van de kerk. Van nachtzwart aan het begin van de metten tot schemering om uiteindelijk tot volledig daglicht te komen. Aan het eind van de metten zingen de vogels buiten dan ook mee.

Zo eindigt weer een weekend, dat ik geïnspireerd en voldaan afsluit. Nog dagen zal ik dit ritme en levensgeest proberen vast te houden, tot de wereld die ik dagelijks beleef dit weer heeft verdrongen tot de waan van de dag en ik weer uitkijk naar een volgend bezoek aan dit klooster, dat mij weer even op de rails kan zetten.

1 Vert. Die de hemel met wolken bedekt en regen bereidt voor de aarde