Home » René Haustermans » Verhaaltjes » Columns voor Limbo Music

Collumns voor Limbo Music

Mei 2011

 

Padua, mei 2011

Heilige Antonius, beste vrind…

Ik behoor tot de categorie mens-achtigen, die altijd wel weer iets kwijtraakt. Niet kwijt voor altijd, maar wel meestal net op de momenten dat ik het zoekgeraakte mogelijk heb. Zo kan ik bijvoorbeeld een boek op tafel leggen en de volgende dag kijken waar ik wil…, maar geen tafel! Voor optredens check ik mijn spullen wel tien keer mijn instrumenten, koffers  met kabels en noem maar op, totdat ik bij het opbouwen erachter kom dat ik juist dat ene kabeltje vergeten ben dat ik altijd nodig heb, nog in mijn studio ligt. En zo zou ik nog uren kunnen doorgaan. Daarom is het op zeker moment in het leven tijd om het roer om te gooien. Alle verloren zaken weer terug te vinden op te rapen wat ik heb laten liggen terwijl het voor mijn voeten lag. Tijd om ervoor te zorgen dat ik nooit meer iets kwijtraak. Daarvoor ben ik nu in de Italiaanse stad Padua! Juist, de stad van St. Antonius, de patroonheilige van verloren zaken. Ik bezoek straks de basiliek waar deze handige heilige begraven ligt en hoop stil dat op het moment dat ik aan zijn graf sta al mijn verloren spullen uit de hemel komen  vallen. Sinds vanmorgen zingt er een wijsje door mijn hoofd dat ik er niet uitkrijg. ( wanneer je eens wat kwijt wil , lukt het je meestal niet) Het is de melodie van ‘ Heilige Antonius’  van Rowwen Heze. ‘ Zou het werken als smeeklied?’ , vraag ik me af. Even de tekst googlen met mijn telefoon.  “ Ierst miene jas, daornao ’n paar hauze, mien schoelbeuk, mien tas en mien verstand….” Stuk voor stuk herkenbare, zoekgeraakte dingen. De laatste niet in het minst! Het is een onderwerp dat, denk ik, alle mensen aangaat. Iedereen raakt wel eens iets kwijt, of het nou spullen of mensen zijn. En de manier zoals Jack Poels dit heeft weergegeven is wel een van de mooiste omschrijvingen hiervan die ik ken. Vooral die laatste zin: “ Soms is ‘t baeter iets moeis te verleeze. Baeter verleeze dan dat ge ’t noeit het gehad!”  Waarheid als een koe en prachtig gevonden. Misschien met hulp van St. Antonius?

Antonius zou een goede patroonheilige zijn geweest voor troubadours. Het woord troubadour ( Wat Jack zeker is) komt van het Occitaanse “ Trovere” , dat ‘ vinden’ betekend. Specifieker gezegd: Het vinden van woorden om te omschrijven wat je meemaakt, raakt, voelt. Voor een tentoonstelling over troubadours uit de regio Sittard-Geleen enkele jaren geleden formuleerden we een ‘nieuwe’ definitie voor de troubadours zoals we deze in Limburg kennen. Een troubadour vindt de juiste woorden en versterkt de sfeer van deze woorden door muziek. Iets wat we in Limburg natuurlijk bij uitstek kennen. Onderwerpen genoeg. Of het nou gaat om nostalgie, protest, of gewoon een dagelijks onderwerp. Geen lied is te veel geschreven . Nooit te veel, want je kunt het beter verliezen dan dat je het nooit hebt gehad. Ik ga bij alle Limburgse troubadours pleiten tot het aannemen van deze nieuwe patroonheilige! Sjef, Jos, Paul, Arno, Frans, Ger, Anja en alle anderen, ik steek hier in Padua straks een kaarsje voor jullie op. Voor het vinden van nog meer woorden.

 

April 2011

Zitterd allein… Limburg allein… what’s in a name

De zaterdag voor carnaval stond ik met Kartoesj op het podium tijdens Het Kanon van het Balkon, de megafestiviteit die in enkele jaren is uitgegroeid tot een de carnavalsevenementen in Limburg. Achter ons stond de elektrische harmonie “Trööt in de Gööt” klaar om te beginnen met hun optreden, maar het bleek al 23:11 te zijn; hèt moment om af te tellen en de vastelaovend in te schieten. Om deze opening luister bij te zetten speelde Trööt in de Gööt de Sittardse hymne “Zitterd Allein” van Jo Erens en Kartoesj zong mee. Bij de eerste inzet wachtte ik al gespannen af welke tekst zou klinken in de tweede regel. Mijn angstig vermoeden werd al snel bevestigd; diverse woorden fietsten in de tweede zin lukraak door elkaar heen, omdat er bij deze regel bijna altijd, door bijna iedereen verwarring is over de juiste volgorde. Zitterd, Zitterd allein… en dan klinken “Dao geit niks baove” en “Sjooner plaetsjke” prompt door elkaar heen. Bij deze wil ik over deze verwarring voor eens en altijd een einde maken door hier beneden de originele tekst van Jo Erens te vermelden.

ZITTERD ALLEIN Tekst & muziek: Jo Erens

Dao wo ich gebaore bèn, woo mien auwesjhoes nog sjteit.
De taal die ich toch zoo goud kèn, woo ich hauw mien leif en leid.

Refrein:
Dat is mie Zitterd, Zitterd allein,
sjooner plaetsjke vèndj geer neet ein.
Es mien auwt Zitterd, Zitterd allein,
dao geit niks baove zoo is der mer ein.

Gaon ich nao de vraemde haer of wiet van Zitterd weg,
heur ich ummer toch zoo gaer 't goud, 't kaod, 't sjlech.

Zuik ich mich ei maedje oet, is dat ei Zittesj kèndj.
Dao woo ich zoo op vertroew en nurges baeter vènj.

Zitterd Allein is de officiële volkshymne van Sittard, al is deze door Limburg geannexeerd als Limburg allein. Dat deed overigens de maker en zanger van dit lied, Jo Erens, tijdens zijn leven ook al. Zo kon hij dit lied overal buiten Sittard ook gebruiken. Hetzelfde deed collega-troubadour Frits Rademacher met zijn lied “Limburg, mie lendje klein”, dat hij in 1948 schreef als revuelied “Dounder, mie dörpke klein”, het vervolgens maakte tot “Zitterd, mie sjtedje klein en  daarna steevast aanpaste aan de plaats waar hij optrad.

Maar het lied van Jo is geschreven als hymne, een ode aan de stad Sittard. Het was op 1 maart 1952 dat de toenmalige burgemeester Coenders zijn 25-jarig ambtsjubileum vierde. Tijdens deze feestelijkheden stond  de Sittardse markt vol met burgers die hun geliefde burgervader kwamen eren. Op het bordes van het oude, inmiddels afgebroken stadhuis sprak de burgemeester zijn bevolking toe en had op het einde van zijn toespraak als dank nog een cadeau voor de Sittardse burgers in petto. Op dat moment deed Burgemeester Coenders een stap zijwaarts en voorzichtig trad Jo Erens naar voren met zijn gitaar in de aanslag.  Hij nam plaats achter de microfoon en bracht daar de wereldpremière van Zitterd Allein. En wel met de tekst in de goede volgorde!     

 

Maart 2011

De meziek klink nao….. Carnaval; de muzikale tijd voor Limburgse muziek bij uitstek. In de hele periode voor deze dolle dagen worden in alle leedjeskonkoers door de hele provincie, met het LVK als klapstuk, gebakkeleid wat nu wel of niet een goed carnavalslied is. Moet het een mars zijn, een walsje, tango, samba of ballade of is het toch de tekst waar het om draait. Gaat het misschien om de wijze waarop een lied wordt gezongen, of is de laagdrempeligheid van het kunnen meezingen de sleutel tot het succes. Talloze jury’s die zich erover buigen, meestal mensen die hun sporen hebben verdiend in de “Limburgse” muziekwereld, tot het grote publiek dat zich in de meest democratische vorm mag uitleven in bonnen, formulieren, SMS, mail, twitter en wat meer geoorloofd of ongeoorloofd is. Maar wat geeft nu aan of een  lied goed is? Alle jury’s ten spijt, zowel de vak- als publieksjury’s,  is er maar een jury die er toe doet en dat is de tijd. Net als in de klassieke muziek overleven de “top-stukken” de jaren, doordat deze door hun kwaliteit de mensen blijven raken. Hetzelfde geldt ook voor onze carnavalsmuziek. Deze toppers kunnen niet worden gecreëerd, maar nestelen zich in de collectieve vastelaovesgeis. Langs deze weg versterken deze liederen het carnavalsgevoel, de lokale identiteit en de nauwe verbondenheid met de traditie. Wanneer zo’n lied door de luidsprekers van een café schalt krijgen de carnavallisten pur sang een warm gevoel en laten zich op dat moment verdrinken in het lied en de hele sfeer eromheen.

Voor mij persoonlijk is het de dinsdagavond dat ik mij gedwee laat meeslepen op de klanken die mij het meeste beroeren.  En dat kan gebeuren met liederen uit de hele provincie. Ja, zelfs de Kölsche tonen, geven mij een warm gevoel. Als ballade-fetisjist ben ik overigens vaak overgeleverd aan de oude, maar zeker ook nieuwe muziek uit het Jocusriek, al kan ik me tevreden stellen dat er steeds meer uit heel de provincie mooie luistercarnavalsmuziek wordt gemaakt. Echter ook bij enkele stampers kan ik mezelf heftig verliezen, maar dan is het de tekst die mij in mijn carnavalshart raakt. Een uitschieter daarin is een Sittards carnavalslied uit 1927, geschreven door Zef Dullens. Deze Dullens was een “laamaeker van het reinste saort” zoals zijn bekende neefje Toon Hermans hem betitelde. Hij schreef veel liederen, revueteksten en korte verhalen, meestal in het Sittards dialect. Het lied” ’t zit noe einmaol in het Zittesj bloud” is voor mij een haast literair hoogtepunt en de inhoud van de tekst zal door iedere carnavallist, ongeacht in welke woonplaats,  van harte worden beaamd. In de eerste twee zinnen wordt even uit de doeken gedaan wat carnaval nu echt inhoud en in de periode erna als een wijze les in mijn oren blijft doorklinken:

Wauwel en brazel en heel vööl sjaele kal

Verköp me hie ummer, mer neit mit carneval!

Dan is ’t gans angesj. Me is zo eerlijk blie

En deit dan zie maske veur ennige daag opzie

Geef zich dan richtig, wie ’t karakter is

Och doug me dat ummer, t sjpaarde ergernis

Jao mit vastelaovend denk jeder zo veur zich

Einmaol in ’t jaorke dan ammezeier ich mich

 

Eine zelige vastelaovend,  René Haustermans  ( www.renehaustermans.jouwweb.nl)

 

Februari 2011

Zoveel Limburgse muziek; Wat één schande!!

Wie Limburg zegt, zegt muziek. Van oudsher galmden in dit gebied de eerste tonen door de mergelgrotten,  de eerste kloosterlingen met het getijdengezang.  De middeleeuwse troubadour die van dorp naar dorp trok en daar middels zijn muziek zijn kijk op de wereld en op de liefde vertolkte. Koren, samengevoegd uit alle rassen en standen; mannen, vrouwen, kinderen, arbeidersdorpelingen, katholieken, protestanten, ja iedereen die geluid kan voortbrengen is samengebracht in een roedel om, indien mogelijk, samen er een klinkende klok van te maken. De muziek hangt zowat aan je lippen. Kijk naar fanfares, harmonieën, brassbands, zaate kapelkes en blaasorkesten. Zij maken méér dan muziek! Zeker! Bij elke gebeurtenis maken zij steeds de meest passende sfeermuziek, voor een film waarvan het script niet eens beschreven staat. Mancini zou ’t ze niet nadoen! Wat te denken wat onze nieuwe generatie troubadours en liedjesmakers; Erens, Rademacher, Bordon, Diederen, Rademakers, Kraft, Verdellen, Adams ,Pollux, etc. . Zij geven hun kijk op Limburg. Zij het in een romantische bui, zij het met een kritische blik. Maar zij vertellen wel het verhaal van Limburg en laten iedereen ervan genieten. Denken we even aan de Limburgse componisten: Niël, Pothast, Delnooz, Bonhomme, Kingma, Hermans, Zeijen, Olterdissen, Batta, en nog vele anderen. Wat te denken van het  Limburgs volksfeest bij uitstek; Carnaval! Dit feest kent een repertoirelijst van tienduizenden, zo niet honderduizend titels. Zo veel muziek in Limburg! Wat een Schande!

Schande, waarom? Een land met zo een grote reputatie op muziekgebied, een streek met zoveel eigen streekgebonden muziek en waar kan men er iets over lezen?? Waar kan men die informatie zoeken? Waar wordt alles bewaard? Wie bekommert zich over muzikale pareltjes uit het verleden? Enkele particulieren,  regionale omroepen, enkele platenlabels, maar vooral de gewone liefhebber, die nu al houdt van hetgeen hij (nog) niet kent. Misschien moeten we daarom proberen om in de komende jaren te streven naar een Limburgs Muziek Insitituut  om ons muzikaal erfgoed op gepaste wijze bewaren en te eren. In al deze muziek samen ligt het verhaal van Limburg en de Limburger

Laten de we in dit nieuwe jaar en dit nieuwe web-initiatief de glazen en de muziek klinken!

 

René Haustermans